De nieuwe AMvB buisleidingen
Wordt in de AMvB buisleidingen een termijn opgenomen waarbinnen de leidingbeheerder data moet aanleveren bij de rekenaar?
Nee, wel is de plicht om gegevens aan de gemeente te verstrekken opgenomen in artikel 7 van de concept AMvB. Op basis hiervan geeft de AMvB gemeenten de ruimte om zelf bij haar verzoek een termijn stellen en daarbij het belang van die termijn aan te geven.
De reden dat er geen termijn in de AMvB is opgenomen is dat bestemmingsplanprocedures vaak langdurig van aard zijn en dat de fase waarin de gemeente gegevens voor veiligheidsberekeningen vraagt verschillend kan zijn. Veelal zal een gemeente in een vroege planfase inzicht willen hebben in de risico's, maar dan zit er misschien nog niet veel tijdsdruk op en dan is het onnodig om een strakke wettelijke reactietermijn vast te leggen.
Bij wie kan ik terecht met vragen over niet complete of onjuiste gegevens in het RRGS?
U kunt contact opnemen met de Helpdesk LBO Risicokaart bij het IPO, telefoon: 070-8881219, e-mail: lbo@risicokaart.nl.
Welke risiconorm t.a.v. hogedruk aardgasleidingen moet worden toegepast zolang de AMvB Buisleidingen nog op zich laat wachten: de Circulaire 1984 of toch al de AMvB Buisleidingen?
Totdat de a.s. AMvB Buisleidingen formeel in werking is getreden is de positie van VROM Inspectie bij de beoordeling van ruimtelijke plannen waarbij hogedruk aardgasleidingen zijn betrokken, als volgt:
De Circulaire '84 is de vigerende regelgeving en dus in beginsel leidend voor de toetsing van ruimtelijke plannen nabij bestaande aardgasleidingen en bij nieuwbouw van aardgasleidingen bij bestaande (en geprojecteerde) bebouwing.
VROM Inspectie adviseert naast de toetsing aan de Circulaire '84 een toetsing aan regels volgens de a.s. AMvB Buisleidingen (specifiek aan de norm voor het Plaatsgebonden Risico en een beoordeling van het Groepsrisico in relatie tot de Orienterende Waarde).
In de besluitvorming moet navolgbaar zijn op welke wijze de Circulaire is toegepast en hoe de AMvB betrokken is (zie hieronder bij punt '4' en '5').
In gevallen dat plannen (nieuwe gebouwen resp. nieuwe leiding(en)) wel voldoen aan de a.s. AMvB maar niet aan de Circulaire '84 kan een beroep gedaan worden op de "ontsnappingsclausule" in de Circulaire '84, § 5.4.3:
5.4.3 Overige uitzonderingen ten opzichte van woonbebouwing en bijzondere objecten
Uitzonderingen in andere gevallen dan in 5.4.1 en 5.4.2 genoemd zijn alleen toegestaan in overleg tussen de bij het project betrokken partijen. Daarbij kunnen aanvullende maatregelen worden vastgesteld. In alle gevallen dient de afstand minstens te voldoen aan de afstanden overeenkomend met die van incidentele bebouwing tabel 4.
De in § 5.4.3 genoemde partijen (bevoegd gezag en leidingbeheerder) doen er verstandig aan om, conform -§ 5.4.5 van de Circulaire '84 bij VROM Inspectie om instemming te vragen met het voornemen om van de Circulaire '84 af te wijken.
5.4.5 Nader overleg
Indien zich situaties voordoen waarin deze regeling niet voorziet of wanneer het gestelde in 5.4.3 niet tot een oplossing leidt, kunnen de bij een project betrokken partijen in overleg treden met het Directoraat-Generaal voor de Milieuhygiëne van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
De overgang van het oude naar het nieuwe beleid: hoe gaan de nieuwe afstanden eruit zien?
De afstanden zullen verschillen van de circulaire-afstanden. Sowieso heeft niet elke leiding met een gelijke diameter meer dezelfde 10-6 contour. Voor aardgastransportleidingen zullen deze door de bank genomen vaak kleiner zijn dan de circulaire afstanden. In een aantal gevallen zullen ze groter zijn dan de huidige circulaire afstanden. Voor overige stoffen is dit nog in onderzoek op dit moment.
Op het vervoer van welke gevaarlijke stoffen is de AmvB van toepassing en op welk type buisleidingen?
De nieuwe Amvb is voorlopig van toepassing op dezelfde stoffen als waarop de oude circulaires van toepassing waren. CO2 en heet water vallen daar niet onder. De nieuwe Amvb heeft betrekking op aardgasleidingen vanaf 4" en niet op het distributienet. (zie ook casus golfgaan Roosendaal , casus Factory Outlet Centre Roosendaal , casus Haarlemmermeer)
Wie stelt de risicoafstanden vast?
De afstanden voor aardgas worden berekend met het model Pipesafe. In overleg tussen RIVM, Gasunie, VROM worden de afstanden uiteindelijk bepaald. Op dit moment kunnen de nieuwe afstanden worden opgevraagd bij de Gasunie.
Welke handelingsruimte biedt het nieuwe beleid straks in de praktijk, bijvoorbeeld de vrijheid om een QRA uit te laten voeren?
Het nieuwe beleid zal ruimte bieden om bij bijzondere omstandigheden gemotiveerd af te wijken van de standaard afstanden. Daarbij mag gebruik gemaakt worden van een QRA. De voorwaarden waaronder een QRA mag worden uitgevoerd, zijn nog niet bekend.
Hoe kan worden geanticipeerd op de nieuwe regelgeving?
Een gemeente kan nu nog vasthouden aan de toetsings- en bebouwingsafstanden in de circulaire Zonering langs aardgastransportleidingen. Overigens kent de circulaire uitzonderingen die toestaan dat onder voorwaarden op kortere afstand van de leiding kan worden gebouwd. De circulaire voor aardgasleidingen is van kracht. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente of zij in de afweging rondom het toepassen van de circulaire rekening houdt met nieuwe afstanden (conform de in december 2006 vastgestelde berekeningswijze door Gasunie). In het verleden hield de Raad van State rekening met de aardgascirculaire. De visie van de Raad van State op het anticiperen op nieuwe afstanden is niet bekend. De verwachting is dat uit het consequentie-onderzoek voor aardgasleidingen zal blijken dat er geen sprake meer is van hele grote afstanden zoals uit eerdere risicoberekeningen van de Gasunie naar voren kwam. VROM zou overigens een gemeente niet adviseren om binnen de nieuwe PR 10-6 contour woningen te bouwen.
Moet nu nog uitgegaan worden van de oude Circulaire?
Een gemeente kan nu nog vasthouden aan de toetsings- en bebouwingsafstanden in de circulaire Zonering langs aardgastransportleidingen. Overigens kent de circulaire uitzonderingen die toestaan dat onder voorwaarden op kortere afstand van de leiding kan worden gebouwd. De circulaire voor aardgasleidingen is van kracht. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente of zij in de afweging rondom het toepassen van de circulaire rekening houdt met nieuwe afstanden (conform de in december 2006 vastgestelde berekeningswijze door Gasunie). In het verleden hield de Raad van State rekening met de aardgascirculaire. De visie van de Raad van State op het anticiperen op nieuwe afstanden is niet bekend. De verwachting is dat uit het consequentie-onderzoek voor aardgasleidingen zal blijken dat er geen sprake meer is van hele grote afstanden zoals uit eerdere risicoberekeningen van de Gasunie naar voren kwam. VROM zou overigens een gemeente niet adviseren om binnen de nieuwe PR 10-6 contour woningen te bouwen. (zie ook casus golfbaan Roosendaal ,casus Factory Outlet Centre Roosendaal ).
Kunnen risico's van meerdere buisleidingen parallel aan elkaar worden gecumuleerd? Zo ja, hoe? Kan er sprake zijn van domino-effecten en hoe moeten gemeenten dit meenemen in de beoordeling van risico's?
Er wordt in het rekenmodel rekening mee gehouden dat leidingen elkaar kunnen beïnvloeden. Dit is echter een complex probleem met als kern de vraag of je een bundel leidingen als één of meerdere activiteiten moet zien. De finale benaderingswijze is nog niet duidelijk (zie casus golfgaan Roosendaal , casus Factory Outlet Centre Roosendaal ).
Toezicht op en beheer van leidingen en leidingstroken
Wie zijn de leidingeigenaren en wat zijn hun taken en bevoegdheden?
In de nieuwe regelgeving staat aansluiting bij zelfregulering door de exploitanten (leidingeigenaren) voorop. Dat is al jaren geleden door de exploitanten op een verantwoorde manier ingevuld en blijft dan ook het uitgangspunt. In de AMvB wordt, naast een norm voor het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico, een zorgplicht vastgelegd. Een leidingexploitant moet kunnen aantonen dat aan de zorgplicht voldoende invulling wordt gegeven. Dit wordt geregeld door een beheersplan/zorgsysteem, dat aan een aantal essentiële eisen (waaronder bijv. rapportageverplichtingen) moet voldoen, voor te schrijven. Mede in relatie tot de zorgplicht voor leidingexploitanten wordt nu door de leidingexploitanten in overleg met VROM een Nederlands Technische Afspraak (NTA) uitgewerkt. Hierin worden technische eisen beschreven aan het veiligheidsmanagementsysteem voor het ontwerp, de aanleg, het beheer en het onderhoud van buisleidingen. (zie ook casus pilot Gasunie-VROM Inspectie Noord)
Beschikbaarheid en beheer van gegevens
Wanneer is Carola beschikbaar en voor wie?
Vanaf 1 mei 2010 is de downloadapplicatie voor het rekenpakket CAROLA beschikbaar. Het Centrum Externe Veiligheid van het RIVM verzorgt de verspreiding van het rekenpakket in Nederland. Gebruikers kunnen zich hiervoor aanmelden op de website van het RIVM.
Wanneer zijn de benodigde gegevens van de Gasunie beschikbaar?
De benodigde gegevens van de Gasunie zijn vermoedelijk in september 2010 beschikbaar.
Hoe komt een gemeente aan informatie over de ligging en eigenschappen van leidingen?
Leidinggegevens kunnen worden opgevraagd bij de leidingbeheerder; die heeft de meest actuele informatie over een specifieke leidingsituatie. Indien niet bekend is of er leidingen op een specifieke locatie aanwezig zijn, kan de gemeente bellen met de VROM-Inspectie in de regio. Die heeft een Velinbestand met data over alle buisleidingen en zij kunnen nagaan of er buisleidingen door een betreffende gemeente lopen, wie de leidingexploitant is, welke stof er doorheen gaat etc. Deze database is echter niet actueel; VROM zal de leidingexploitanten daarom binnenkort vragen geactualiseerde gegevens aan te leveren in het kader van het Registratiebesluit externe veiligheid en het tonen van de gegevens op de provinciale risicokaarten. Uiterlijk eind maart 2008 moet VROM alle buisleidingen in het risicoregister bij het RIVM hebben ingebracht zodat overheden ook op de risicokaart precies kunnen nagaan welke buisleidingen waar lopen. De liggingsgegevens van een buisleiding kunnen straks ook via het Kadaster worden opgevraagd op grond van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (grondroerdersregeling). Het wetsvoorstel hierover ligt thans bij de Tweede Kamer ter behandeling. De liggingsgegevens mogen volgens dit wetsvoorstel een afwijking hebben van maximaal 1 meter aan weerszijden. Ook indien een gemeente graafwerkzaamheden wil gaan verrichten moet zij in het kader van de grondroerdersregeling straks bij het Kadaster informatie opvragen over de exacte locatie van kabels en leidingen in het te graven stuk grond. Voor meer informatie kunt u kijken op de website van het ministerie van EZ.(Zie ook casus pilot Gasunie-VROM Inspectie Noord)?
Welke informatie over buisleidingen komt straks in het RRGS en in de risicokaart en wanneer is die informatie beschikbaar?
De risicokaart is geschikt voor een eerste inventarisatie, maar niet gedetailleerd genoeg om bestemmingsplannen op te baseren. Nadat de authentieke gegevens zijn opgevraagd bij de leidingexploitant, eventueel via VROM (als bevoegd gezag voor de buisleidinggegevens in het risicoregister) kan worden beschikt over gedetailleerdere informatie. De liggingsgegevens van een buisleiding kunnen straks ook via het Kadaster worden opgevraagd op grond van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten. Het wetsvoorstel hierover ligt thans bij de Tweede Kamer ter behandeling. De liggingsgegevens mogen volgens dit wetsvoorstel een afwijking hebben van maximaal 1 meter aan weerszijden. Uiterlijk eind maart 2008 moet VROM alle buisleidingen in het risicoregister bij het RIVM hebben ingebracht zodat overheden ook op de risicokaart precies kunnen nagaan welke buisleidingen waar lopen.
Hoe moet een gemeente omgaan met defensieleidingen en welke gegevens zijn daarvoor beschikbaar?
Er zijn geen geheime leidingen meer. Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) heeft verzocht om te benadrukken dat hun buisleidingen gevaarlijke stoffen kunnen bevatten en dat het daarom belangrijk is dat de ligging bekend is. Deze leidingen worden ook weergegeven op de risicokaart en bij KLIC meldingen (KLIC= Kabels en Leidingen Informatie Centrum).
Risicoreductie
Welke slimme, praktische oplossingen zijn er om risico's van buisleidingen te reduceren en wat zijn de bijbehorende kosten)?
Er is een aantal locatiespecifieke maatregelen aan aardgastransportleidingen mogelijk, zoals intensievere surveillance langs de leiding, hekken, cameratoezicht, afdekken van de leiding, waarschuwingslint, markering, etc. Het gaat steeds om het terugdringen van de kans op schade aan de leiding door graafactiviteiten (grondroeren). Deze maatregelen zijn aanvullend op de toekomstige wettelijke grondroerdersregeling (Wet Informatieuitwisseling ondergrondse netten). Iedere maatregel heeft een zeker risicoreducerend effect. RIVM is bezig met een inschatting van het risicoreducerende effect van dergelijke maatregelen. In overleg met de leidingbeheerder kan nagegaan worden of en zo ja welke maatregelen in een specifieke situatie toepasbaar zijn. Deze lijst met maatregelen zal niet direct limitatief zijn. Nieuwe voorstellen voor maatregelen (van met name leidingexploitanten) zullen door het RIVM worden gewaardeerd. Andere voorbeelden van maatregelen die volgen uit verschillende casussen van de kennistafel zijn:
- Het dieper leggen van een buisleiding
- Het opbrengen van grond boven op een buisleiding
- Het afdekken van de buisleiding:
- Ondergronds
- Op maaiveld
- Toepassing van een lagere werkdruk dan
- Het verleggen van een leiding
- Vervangen / afkoppelen van een leiding
(zie ook casus Appingendam, casus VROM Inspectie)
Ruimtelijke inpassing en relatie met nieuwe WRO
Is het noodzakelijk om het PR van een buisleiding ruimtelijk vast te leggen?
Gemeenten worden niet verplicht om een risicozone rond een buisleiding op te nemen in bestemmingsplannen (het Bevi bevat ook geen dergelijke verplichting). Het staat gemeenten die dit wel willen uiteraard vrij dit te doen. De reden waarom VROM dit niet wil verplichten is, omdat de risicoafstanden variabel zijn. Indien je een risicozone vastlegt in een bestemmingsplan en er vervolgens maatregelen worden genomen aan de buisleiding waardoor de risicozone kleiner wordt, dan dient het bestemmingsplan weer gewijzigd te worden omdat de risicozone van de buisleiding moet worden aangepast. Dit is een tijdrovende kwestie. Alternatief is het opnemen van de contour op de obstakelkaart. VROM wil gemeenten niet voor de voeten lopen maar gaat ervan uit dat zij de belemmeringen die met de risicozonering gepaard gaan goed kenbaar zullen maken, hetzij op een obstakelkaart/belemmeringenkaart, hetzij op de plankaart zelf, zodat hier geen misverstand over kan bestaan. Ook is het zo dat straks binnen de PR 10-6 contour geen absoluut bouwverbod geldt: beperkt kwetsbare objecten mogen, net als bij het Bevi, in principe niet binnen de PR 10-6 contour gebouwd worden, tenzij daar goed gemotiveerde redenen voor zijn. VROM wil dit dus niet verplichten. Wel is VROM van mening dat ergens vastgelegd dient te worden welke maatregelen er aan een buisleiding zijn genomen en welke risicocontour daarbij hoort. Waar dit moet worden vastgelegd wordt nu nog door VROM onderzocht. VROM gaat wel verplichten de belemmerde zone in het bestemmingsplan vast te leggen. (zie ook casus Appingendam, casus Roosendaal, casus VROM Inspectie)
Hoe weet een gemeente, waar de 10-6 PR contour ligt?
Op dit moment is de circulaire van 1984 nog steeds van kracht. Daarnaast vraagt VROM aan gemeenten om bij de voorbereiding van plannen rekening te houden met de contour voor het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico. Ten behoeve van het plaatsgebonden risico kan Gasunie een berekening van de 10-6 contour uitvoeren. Later dit jaar volgt een aangepaste circulaire. Met de bijbehorende rekenmodule kan dan de risicocontour worden bepaald. Of de rekenmodule een webapplicatie wordt en hoe deze precies zal gaan functioneren wordt nog onderzocht.
